De brief blijft op tafel

AgroActualiteiten augustus 2026

De brief moet op tafel blijven en misschien moeten we er deze keer vooral eens lang genoeg er omheen blijven zitten.

“De brief moet van tafel!”

Het klinkt krachtig. Strijdbaar. Eindelijk iemand die niet buigt voor Den Haag. Het is de taal die het goed doet in een volle zaal met boeren die na jaren stikstofbeleid, onzekerheid, veranderende regels en politieke beloften het vertrouwen in de overheid grotendeels zijn kwijtgeraakt. Ik begrijp dat gevoel heel goed. Maar juist daarom zeg ik: de brief moet helemaal niet van tafel. De brief moet op tafel blijven. Niet omdat alles wat erin staat goed is. Niet omdat boeren maar moeten slikken wat Den Haag bedenkt. En zeker niet omdat er niets te onderhandelen valt. Integendeel. Juist omdat er zoveel aan die brief verbeterd moet worden, hoort hij midden op tafel te liggen. Want alleen aan tafel kun je er iets aan veranderen.

Wat mij steeds meer verbaast, is de merkwaardige tegenstelling in het optreden van sommige boerenvoormannen/vrouwen. Enerzijds horen we dat zij graag willen meedenken over oplossingen. Anderzijds moet eerst de brief van tafel, moeten uitgangspunten opnieuw worden vastgesteld, moeten modellen ter discussie en mag vrijwel niets worden vastgelegd voordat over zo ongeveer alles overeenstemming bestaat. Maar wanneer begint het meedenken dan?

Op enig moment moet belangenbehartiging meer zijn dan vertellen waar je tegen bent. Wie verantwoordelijkheid wil nemen voor de toekomst van de landbouw, zal ook moeten vertellen waar hij vóór is — en vooral wat daarvan praktisch uitvoerbaar is. Jeroen van Maanen, Sieta van Keimpema en anderen weten zonder twijfel een deel van de frustratie op het boerenerf uitstekend te verwoorden. Daar zit ook hun kracht. Veel boeren voelen zich al jarenlang miskend, gewantrouwd en van beleidsronde naar beleidsronde gesleept.

Dan is het aantrekkelijk wanneer iemand opstaat en zegt: Genoeg. Deze brief gaat van tafel. Maar boosheid is nog geen landbouwbeleid. En misschien moeten we daarvoor eens wat vaker over onze landsgrenzen kijken. Want we hebben inmiddels voldoende voorbeelden gezien van politici die met een buitengewoon eenvoudige boodschap een ingewikkeld probleem beloofden op te lossen.

Donald Trump presenteerde zich jarenlang als de man die Amerika uit buitenlandse oorlogen zou houden. “No new wars” werd een belangrijk onderdeel van zijn politieke verhaal. Een deel van zijn achterban koos juist voor hem omdat zij genoeg had van Irak, Afghanistan en Amerikaanse militaire avonturen in het buitenland. Trump ging volledig voor de Nobelprijs voor de vrede………..toch? En waar staan we nu? Sinds 28 februari 2026 is Amerika verwikkeld in een oorlog met Iran. De strijd duurt inmiddels bijna een halfjaar, er zijn Amerikaanse aanvallen uitgevoerd, Iran heeft teruggeslagen, de Straat van Hormuz is inzet van het conflict geworden en olie- en energieprijzen hebben er wereldwijd de gevolgen van ondervonden. Toen Trump in juni werd geconfronteerd met zijn eerdere boodschap van “no new wars”, was zijn antwoord dat hij eigenlijk nooit had gegarandeerd dat er geen oorlog zou komen. Dat is nogal wat. Je kiest iemand mede omdat hij zegt dat hij je uit oorlog zal houden — en enige tijd later moet diezelfde leider uitleggen waarom deze oorlog tóch noodzakelijk is.

Dan Nigel Farage. Brexit zou Groot-Brittannië zijn vrijheid teruggeven. Los van Brussel zou de Britse economie kunnen floreren. Minder regels, meer eigen handel, meer zeggenschap. Ook veel mensen op het Britse platteland geloofden dat verhaal. Maar de werkelijkheid bleek weerbarstiger dan de slogan. Neem de Britse schapenhouderij. Europa is nog altijd veruit de belangrijkste afzetmarkt voor Brits schapenvlees: in 2025 ging ongeveer 93 procent van de Britse schapenvleesexport naar de EU. Maar waar die handel vóór Brexit vrijwel zonder grensformaliteiten kon plaatsvinden, hebben exporteurs nu te maken met gezondheidscertificaten, veterinaire controles, douaneaangiften en grensprocedures. Tegelijkertijd hebben handelsakkoorden na Brexit de toegang van Australisch en Nieuw-Zeelands schapenvlees tot de Britse markt vergroot. Nee, het zou niet juist zijn om te beweren dat Britse schapen inmiddels niets meer waard zijn. Sterker nog: de exportvraag uit Europa is op momenten sterk en de prijzen hebben ook recordniveaus gekend. Maar dát maakt het voorbeeld eigenlijk nog interessanter. Want na alle grote woorden over onafhankelijkheid blijkt de Britse schapenhouder nog altijd sterk afhankelijk van precies die Europese markt waarvan men zo nodig afstand moest nemen — alleen met meer handelsfrictie ertussen. En de Britse begrotingswaakhond OBR rekent nog steeds met de verwachting dat Brexit de handelsintensiteit van de Britse economie op lange termijn ongeveer 15 procent lager maakt dan wanneer het Verenigd Koninkrijk in de EU was gebleven. De slogan was eenvoudig. De werkelijkheid niet.

En dan Javier Milei in Argentinië. Hij kwam bijna letterlijk met de kettingzaag het podium op. De overheid moest kleiner. Uitgaven moesten worden weggesneden. Bureaucratie moest verdwijnen. De politieke elite moest aan de kant. Het beeld kon nauwelijks krachtiger. Zagen! En eerlijk is eerlijk: op één belangrijk terrein heeft Milei resultaat geboekt. De Argentijnse inflatie is zeer sterk teruggelopen. Van meer dan 200 procent op jaarbasis eind 2023 naar ongeveer 32,5 procent begin 2026. Wie dat ontkent, maakt dezelfde fout als de populist die alleen feiten accepteert wanneer ze hem uitkomen. Maar ook daar bestaat geen economische kettingzaag waarmee je alleen het slechte wegzaagt en het goede laat staan. Begin 2026 lag de werkloosheid op 7,8 procent, hoger dan een jaar eerder, de informele arbeid nam toe en de economische groei was vertraagd. In mei 2026 kromp de economische activiteit ten opzichte van de maand ervoor opnieuw met 0,5 procent. De prijzen stijgen bovendien nog steeds; alleen veel minder snel dan voorheen. Ook daar is de werkelijkheid dus genuanceerder dan het podiumbeeld van een man met een kettingzaag. Er zijn resultaten. Er zijn grote offers. Er zijn winnaars. Er zijn veel verliezers. En er bestaan geen tovermiddelen. En de meeste Argentijnen zijn erg teleurgesteld in de uitwerking van Milei zijn kettingzaag.

Dat is precies waarom ik zo huiverig word wanneer politieke leiders of belangenbehartigers ingewikkelde problemen reduceren tot één prachtige strijdkreet.

“No more wars.”

“Take back control.”

“De kettingzaag erin.”

“De brief moet van tafel.”

Ze hebben allemaal iets gemeen. Je weet onmiddellijk waartegen iemand strijdt. Maar veel minder vaak hoor je hoe de wereld eruitziet op de ochtend ná de overwinning. En precies die vraag moeten boeren zichzelf nu stellen. Stel dat Jeroen en Sieta morgen volledig hun zin krijgen. De minister trekt de brief in. Feest. Applaus. De zaal op de banken. En dan?

Is de stikstofproblematiek verdwenen? Nee.

Zijn de natuurdoelen verdwenen? Nee.

Is Europese regelgeving verdwenen? Nee.

Zijn rechterlijke uitspraken van tafel? Nee.

Kunnen vergunningen ineens weer probleemloos worden verleend? Nee.

Weet de jonge boer die het bedrijf van zijn ouders wil overnemen ineens waar hij de komende vijftien jaar aan toe is? Ook niet.

Dan hebben we dus een brief van tafel gekregen. Maar nog geen enkel probleem opgelost. Daar zit voor mij de wezenlijke vraag: Willen we winnen van Den Haag? Of willen we een toekomst voor de landbouw regelen? Dat zijn niet automatisch dezelfde dingen. De afgelopen jaren is binnen delen van de boerenbeweging een cultuur ontstaan waarin ieder compromis al snel wordt uitgelegd als capitulatie. Wie onderhandelt, heeft zich laten inpakken. Wie een deelresultaat accepteert, heeft te weinig binnengehaald. Wie erkent dat ook de landbouw een bijdrage zal moeten leveren, geeft het boerenbelang uit handen. Maar zo werkt een samenleving niet. Een totaaloplossing voor landbouw, natuur, economie en leefomgeving kan alleen ontstaan wanneer iedereen beweegt. De landbouw. De industrie. Het verkeer. De luchtvaart. De overheid. Natuurorganisaties. Provincies. Niemand krijgt honderd procent zijn zin. Dat heet geen verlies. Dat heet een akkoord. En misschien is dat inmiddels wel het grootste politieke probleem rondom het landbouwdossier: het compromis is verdacht geworden. Dat is gevaarlijk. Want wie uitsluitend genoegen neemt met de volledige overwinning, kiest in een democratie bijna automatisch voor permanente strijd. Er is immers altijd wel iets dat niet goed genoeg is. Altijd een nieuwe brief. Een nieuwe norm. Een minister om tegen te protesteren. Een organisatie die volgens de achterban te snel toegeeft. Zo kan belangenbehartiging ongemerkt veranderen in permanente oppositie. En uiteindelijk betaalt niet de voorman op het podium daarvoor de hoogste prijs. Die prijs wordt betaald op het boerenerf. Door de ondernemer die niet weet of hij moet investeren. Door de zoon of dochter die twijfelt over bedrijfsovername. Door de boer die naar de bank moet maar geen zekerheid over zijn vergunning kan geven. Door gezinnen die al jaren leven tussen hoop, rechtszaken, nieuwe beleidsplannen en weer een volgende politieke koers. Zij hebben niets aan nog vijf jaar strijd. Ze hebben duidelijkheid nodig.

Daarom zou ik iedere boerenvoorman vandaag niet als eerste vragen: “Wat moet er van tafel?” Ik zou vragen: “Wat moet er volgens u óp tafel?” Welke emissiereductie acht u haalbaar? Welke termijn is realistisch? Wat moet industrie bijdragen? Wat kan technisch op het boerenerf? Welke bedrijven hebben perspectief? Welke vergoeding hoort bij bedrijven waarvoor dat perspectief ontbreekt? Hoe organiseren we vergunningverlening? Welke garanties heeft een jonge boer nodig om weer voor vijftien of twintig jaar te durven investeren?  Dát is het moeilijke gesprek. Roepen dat iets weg moet, kost een paar seconden. Een zaal meekrijgen met de boodschap dat de vijand in Den Haag zit, is relatief eenvoudig. Een werkbare oplossing maken is veel moeilijker. Dan moet je cijfers accepteren die je niet bevallen. Je moet de achterban soms vertellen dat niet iedere eis haalbaar is. Je moet erkennen dat de tegenpartij soms óók een punt heeft. Je moet accepteren dat een oplossing niet hetzelfde is als een overwinning. En uiteindelijk moet je misschien je handtekening zetten onder een akkoord waarin ook dingen staan die je liever anders had gezien. Dat vraagt meer moed dan een zaal laten applaudisseren.

Trump ontdekte dat “geen oorlog” eenvoudiger klinkt dan geopolitiek bedrijven. Farage ontdekte dat “take back control” eenvoudiger klinkt dan handelsstromen verleggen. Milei ontdekt dat een economie ingewikkelder is dan een kettingzaag. Laat de Nederlandse landbouw alsjeblieft niet ontdekken dat “de brief moet van tafel” eenvoudiger was dan daarna weer jarenlang zonder perspectief aan de keukentafel zitten. Begrijp me goed: boeren hoeven niet mak te worden. Integendeel. Een stevige boerenvertegenwoordiging is noodzakelijk. De overheid heeft in dit dossier meer dan genoeg fouten gemaakt om ieder kritisch woord te rechtvaardigen. Onrealistische voorstellen moeten worden geschrapt. Foute aannames moeten worden gecorrigeerd. En wanneer andere sectoren buiten schot blijven, moeten boerenorganisaties daar keihard tegen optreden. Maar stevig onderhandelen is iets anders dan weigeren te onderhandelen zolang de ander niet eerst jouw vertrekpunt overneemt. Als we werkelijk vinden dat Nederland uit de stikstofimpasse moet, zullen we ergens moeten beginnen. Niet met een blanco vel waarop iedereen opnieuw zijn eigen gelijk schrijft. Maar met datgene wat er ligt. Leg die brief dus op tafel. Pak een rode pen. Streep door wat niet deugt. Schrijf erbij wat ontbreekt. Leg betere alternatieven ernaast. Reken ze door. Laat ook industrie, verkeer en overheid leveren. Onderhandel totdat het kraakt. Loop desnoods een keer boos naar buiten.  Maar kom daarna weer terug. Want uiteindelijk moet er geen overwinning worden ondertekend. Er moet een toekomst worden ondertekend. Een toekomst waaronder een boer zijn handtekening durft te zetten. Een toekomst waarmee zijn bank wil financieren. Een toekomst waarin zijn zoon of dochter weer durft te zeggen: “Ja, ik neem het bedrijf over.”

Daarom: de brief moet niet van tafel. De brief moet op tafel blijven! En misschien moeten we er deze keer vooral eens lang genoeg er omheen blijven zitten.

Herman